Magnat Audio 400 / 1000 Stereo Amplifier User Manual


 
25
NL
4.2 AUDIOKABEL
Bij installatie van de audiokabel tussen de cinchuitgang van de autoradio en de cinchingang van de
versterker in de auto dient er zo mogelijk voor gezorgd te worden dat de audiokabel en de
voedingskabel niet aan dezelfde kant van de auto worden gelegd. Het verdient de voorkeur de kabels
ruimtelijk gescheiden te installeren, d.w.z. de stroomkabel in de linkerkabelschacht en de audiokabel in
de rechterkabelschacht of omgekeerd. Hierdoor wordt beïnvloeding van het audiosignaal door
stroomstoringen voorkomen.
4.3 LUIDSPREKERAANSLUITINGEN
In de standaard bedrijfsmodus (dat betekent telkens een luidspreker aan elk afzonderlijk
versterkerkanaal) bedraagt de kleinste afsluitweerstand 2 ohm per kanaal.
In brugmodus (telkens twee versterkeruitgangen samen geschakeld) wordt de kleinste
afsluitweerstand verdubbeld tot op 4 ohm.
In Tri-modus mag de impedantie niet minder bedragen dan 2 ohm per kanaal.
Sluit de luidspreker minklemmen nooit aan op het chassis van het voertuig.
Verbind de +12 V voedingsspanning nooit met een luidsprekeruitgang. Hierdoor wordt de
versterkeruitgangstrap verwoest.
Indien de versterker met lagere afsluitwaarden of zoals boven beschreven fout wordt bedreven,
kan hierdoor de versterker zelf en de luidspreker worden beschadigd. In dit geval vervalt de
garantie.
5. BEDIENINGSELEMENTEN EN IN-/UITGANGEN
5.1 INSTELLING VAN DE INGANGSGEVOELIGHEID
De ingangsgevoeligheid kan aan elke autoradio of cassettedeck worden aangepast. Draai de
volumeregelaar van uw radio op gemiddeld volume en stel dan de ingangsniveauregelaar (3) dusdanig
in, dat er een gemiddelde geluidssterkte hoorbaar is. Bij deze instelling zijn over het algemeen
voldoende capaciteitsreserves bij een optimale ruisspanningsafstand gegarandeerd.
ATTENTIE: harde testsignalen slechts kortstondig weergeven om schade van de luidspreker te
vermijden.
5.2 LAAGDOORLAATFILTER MET REGELBARE KANTELFREQUENTIE
Als de versterker als subwooferversterker wordt gebruikt, zet de schakelaar (7) dan op „LPF“. Stel met
de regelaar (6) de gewenste kantelfrequentie in. Met deze instelling kan de filter worden aangepast aan
de betreffende laagweergever.
De hoge flanksteilheid van de filter zorgt voor een exacte daling van gemiddelde en hoge
frequentiebereiken.